De rechtsstaat wordt vaak besproken in termen van wetten, grondrechten en onafhankelijke rechtspraak. Maar wat gebeurt er nadat de rechter uitspraak heeft gedaan? Voor Oscar Boeder is daar een belangrijk deel van de rechtsstaat te vinden. Als gerechtsdeurwaarder én rechter-plaatsvervanger ziet hij zowel de totstandkoming als de uitvoering van rechterlijke uitspraken. Daarnaast is hij actief als lid van de gemeenteraad in de lokale politiek. Vanuit die verschillende perspectieven spreekt Dick Kruiswijk namens Deurwaardersbelangen.Nu met hem over de rechtsstaat in de praktijk.
Ik zeg weleens gekscherend dat de trias politica een beetje in mijzelf verenigd is. In de gemeenteraad vertegenwoordig ik op lokaal niveau de wetgevende macht, als rechter-plaatsvervanger ben ik betrokken bij de rechtspraak en als gerechtsdeurwaarder bij de uitvoering.
Daar moet ik overigens meteen een nuancering bij maken. Als rechter-plaatsvervanger behandel ik een beperkt terrein: huur-kortgedingen en executiegeschillen. In de afgelopen vijf jaar heb ik daarvan ongeveer honderd zaken behandeld. Mijn perspectief vanuit de rechtspraak is dus beperkt.
Maar juist op het snijvlak tussen rechtspraak en uitvoering zie ik iets belangrijks. Een vonnis is uiteindelijk een tussenstap. Een burger of ondernemer die naar de rechter gaat, wil niet alleen een uitspraak op papier. Hij wil zijn materiële recht krijgen. Zonder uitvoering van het vonnis heb je aan die uitspraak uiteindelijk niet zoveel.
Ja. Nederland ziet zichzelf graag als een land waarin de rechtsstaat uitstekend functioneert. Over het algemeen deel ik die mening. Maar als je kijkt naar de daadwerkelijke uitvoering van civiele vonnissen, is dat beeld minder vanzelfsprekend.
De Wereldbank heeft landen vergeleken op de procedure en uitvoering van civiele uitspraken. Nederland stond in 2020 daarin op plaats 78. De gemiddelde doorlooptijd van procedure en uitvoering van het vonnis bedroeg 514 dagen. De kosten van de procedure en van de uitvoering kwamen uit op 23,9 procent van de vordering. Ook Nederlands onderzoek (WODC) laat zien dat een aanzienlijk deel van de vonnissen na jaren nog niet is uitgevoerd.
De afgelopen jaren doet schuldhulpverlening in toenemende mate een dwingend saneringsvoorstel van 0,0%. In deze gevallen is het onmogelijk om binnen onze rechtstaat je recht te krijgen.
Aan deze zwakke plek van de rechtstaat moet je een principiële vraag aan verbinden. Wat verstaan we onder een goed functionerende rechtsstaat? Voor mij betekent die dat iemand binnen een redelijke termijn en kosten een rechterlijke beslissing kan krijgen en deze uitspraak zonodig met gepaste actie kan laten afdwingen. Als dat heel lang duurt, heel veel geld kost of uiteindelijk helemaal niet lukt, is er iets aan de hand.
We kunnen natuurlijk met elkaar besluiten dat we de situatie zoals die nu is acceptabel vinden. Maar ik behoor tot de school die dat niet acceptabel vindt.
Dat denk ik wel. Veel rechters weten uiteindelijk niet wat er met hun uitspraak gebeurt. Ik heb dat zelf ook. Ik heb uitspraken gedaan waarvan ik later dacht: ik zou verdraaid graag willen weten hoe dit is afgelopen. Maar daar kom je niet achter.
Andersom zie je dat rechters in opleiding die een keer met een gerechtsdeurwaarder meegaan soms hun ogen uitkijken. Dan zien ze wat er in de praktijk met een vonnis gebeurt.
Waarom zouden we daar geen eenvoudige feedbackloop voor organiseren? Koppel bijvoorbeeld het nummer van een gerechtelijke procedure aan het dossiernummer van de gerechtsdeurwaarder en verzamel een aantal kengetallen over de uitvoering. Dan kan de rechtspraak daarvan leren. Uiteindelijk kan die informatie ook de politiek helpen om niet alleen naar wetgeving en uitspraken te kijken, maar ook naar wat er daarna daadwerkelijk gebeurt.
Dat civiele perspectief is bovendien nogal onderbelicht. Als we in Nederland over de rechtsstaat spreken, gaat het debat al snel over de toeslagenaffaire en strafrecht. Daarna komen misschien familierecht en bestuursrecht. En ergens daarna herinneren we ons dat er ook nog zoiets bestaat als civiel recht. Dat verklaart voor een deel waarom de uitvoering van civiele uitspraken zo weinig aandacht krijgt.
Toegang tot het recht is daarin essentieel. En ook daar kunnen we praktische verbeteringen doorvoeren.
Neem kantonzaken. Een schuldenaar kan nu persoonlijk bij de rechtbank verschijnen of schriftelijk verweer voeren. Ik zou daar een derde mogelijkheid aan willen toevoegen: verschijnen met video-verbinding.
Niet iedereen is even vaardig in het schriftelijk formuleren van een verweer. De sociale advocatuur staat onder druk en persoonlijk naar een rechtbank gaan kan een behoorlijke opgave zijn. Tegelijkertijd zijn mensen inmiddels gewend om digitaal met banken, overheden en allerlei andere instellingen te communiceren. Waarom zou iemand dan niet met een video-verbinding voor de rechter kunnen verschijnen?
Ik ben ervan overtuigd dat je daarmee ook het aantal verstekzaken kunt terugbrengen. En dat is weer relevant voor de uitvoering, want uit WODC-onderzoek blijkt dat uitspraken waarbij partijen daadwerkelijk betrokken zijn geweest aanzienlijk vaker en sneller worden nagekomen.
De rechtspraak experimenteert wel met initiatieven waarbij zij dichter bij burgers probeert te komen. Maar met een video-verbinding verschijnen is misschien een veel eenvoudiger manier om de toegang tot het recht te verbeteren.
Die menselijke maat is belangrijk, maar we moeten ook naar de balans tussen partijen kijken.
Een gerechtsdeurwaarder die een vonnis moet uitvoeren, begint feitelijk in de mist. Vervolgens probeer je stukje bij beetje informatie te verzamelen. Je kunt informeren bij het UWV, de RDW of het Kadaster en er zijn mogelijkheden voor bankbevraging. Maar in veel zaken is dat onvoldoende om een volledig beeld van de financiële positie van een schuldenaar te krijgen.
Zonder medewerking van die schuldenaar kom je daar eenvoudigweg niet achter.
Andere landen hebben dat anders georganiseerd. In Duitsland kan een schuldenaar bijvoorbeeld verplicht worden onder ede inzicht te geven in zijn financiële situatie. Daarmee creëer je een ander evenwicht.
Ik zou daarom voor Nederland naar een vorm van full disclosure willen. Zodra er een rechterlijke veroordeling ligt, moet een schuldenaar verplicht zijn de relevante financiële informatie te verstrekken. Nu staat de schuldeiser bij de uitvoering eigenlijk met 1-0 achter.
Privacy vind ik daarbij geen doorslaggevend argument. De omgang met die informatie is bij de gerechtsdeurwaarder professioneel en wettelijk geborgd. Bovendien beschikken overheidsdeurwaarders nu al over meer informatie dan gerechtsdeurwaarders. Ook daarin bestaat dus geen gelijk speelveld.
Als je de informatiepositie verbetert, vergroot je uiteindelijk de kans dat rechterlijke uitspraken daadwerkelijk worden uitgevoerd. En daarmee versterk je de rechtsstaat.
Volgens mij zijn beide beroepsgroepen daar serieus mee bezig. Een belangrijk begrip is procedurele rechtvaardigheid.
Mensen moeten het gevoel hebben dat ze gehoord zijn. Wanneer iemand ervaart dat hij zijn verhaal heeft kunnen vertellen en serieus is genomen, kan hij vaak beter accepteren dat een rechter uiteindelijk anders beslist dan hij had gehoopt.
Voor gerechtsdeurwaarders geldt hetzelfde. Een schuldenaar die met de tenuitvoerlegging van een vonnis wordt geconfronteerd, wil kunnen vertellen wat er speelt. Als je daarvoor ruimte biedt, verloopt de uitvoering vaak beter.
Taal speelt daar trouwens ook een rol in. Ik zou graag zien dat we stoppen met het woord executie. Juristen weten precies wat ermee bedoeld wordt, maar in het normale Nederlandse taalgebruik heeft executie toch een heel andere betekenis. Wij noemen onszelf zelfs executiespecialisten. Ik denk dat we beter consequent over tenuitvoerlegging kunnen spreken.
Een interessante verandering is de manier waarop vooral jongeren met geld omgaan. Contant geld speelt nauwelijks nog een rol en veel betalingen verlopen digitaal, soms met allerlei kredietachtige faciliteiten.
Kijk naar een app als WieBetaaltWat. Jongeren zitten soms in tien verschillende groepjes waarin ze overal nog bedragen aan vrienden moeten betalen. In ieder groepje lijkt het misschien om een paar honderd euro te gaan, maar alles bij elkaar kan iemand ongemerkt een behoorlijke schuld hebben.
Het besef van wat geld en schuld betekenen verandert daardoor. Financiële volwassenheid wordt ingewikkelder.
Een heel andere ontwikkeling is de ambtshalve toetsing in consumentenzaken. Die kan leiden tot uitspraken die voor procespartijen nauwelijks te begrijpen zijn. Een kleine ondernemer heeft bijvoorbeeld naar eer en geweten een cv-installatie gerepareerd. De consument weet dat het werk is uitgevoerd. Toch kan een factuur vanwege juridische tekortkomingen in de overeenkomst geheel of gedeeltelijk onderuitgaan.
Daar kunnen goede juridische redenen voor zijn, maar als de uitkomst door betrokkenen niet meer wordt begrepen, draagt dat niet bij aan het vertrouwen in het recht. Ik heb daar niet onmiddellijk de oplossing voor, maar zoals het nu werkt, vind ik het niet bevredigend.
Die ontwikkeling zie je inmiddels heel concreet in de praktijk. Zowel als rechter als gerechtsdeurwaarder krijg ik stukken onder ogen die duidelijk met AI zijn opgesteld.
Dat kan burgers helpen om hun positie onder woorden te brengen. Maar ik zie ook dat het heel eenvoudig wordt om enorme epistels te produceren die een procedure vooral ingewikkelder maken. Vier pagina's tekst betekent niet automatisch dat er vier pagina's relevante argumenten in staan. Toch moet je er als professional wel iets mee. Dat gaan we niet tegenhouden. We zullen dus moeten leren hoe we ermee omgaan.
Tegelijkertijd biedt AI natuurlijk kansen. Ook binnen gerechtsdeurwaarderskantoren kunnen processen ermee worden gestroomlijnd. Hetzelfde geldt voor digitalisering in bredere zin.
Ik vraag me bijvoorbeeld bij bepaalde exploten af waarom ik die nog fysiek in mijn route moet hebben. Zeker bij bedrijven is de toegevoegde waarde van een persoonlijk bezoek beperkt. In andere Europese landen zie je bovendien dat digitale inboxen steeds meer worden gebruikt om officiële stukken rechtsgeldig te bezorgen. Ik verwacht dat Nederland daar de komende jaren ook naartoe gaat.
Dat betekent niet dat het persoonlijke contact verdwijnt. Integendeel. Juist wanneer uitleg nodig is of wanneer iemand in een ingewikkelde situatie zit, heeft het enorme waarde dat er een gerechtsdeurwaarder voor de deur staat in plaats van een chatbot. Maar je kunt daarin veel beter segmenteren.
Begin eens met vragen wat mensen van je vinden.
De rechtspraak doet onderzoek onder procespartijen. De politie onderzoekt hoe burgers haar optreden ervaren. Daar kun je als organisatie van leren.
Voor zover ik weet, doen we dat bij gerechtsdeurwaarders nog nauwelijks op een structurele manier. Natuurlijk hebben we toezicht, kwaliteitsnormen en keurmerken. Maar dat is iets anders dan burgers en ondernemers daadwerkelijk vragen: hoe ervaart u ons optreden?
Misschien komt daar een heel kritisch beeld uit. Dat kan. Maar dat is geen reden om het niet te onderzoeken.
Ik vermoed bijvoorbeeld dat veel mensen helemaal niet begrijpen wanneer een gerechtsdeurwaarder als incassogemachtigde optreedt en wanneer hij zijn wettelijke taak als openbaar ambtenaar vervult. Met nieuwe taken zoals het collectief aflossingsplan wordt dat onderscheid voor burgers mogelijk nog ingewikkelder.
Als wij het zelf nauwelijks aan iemand kunnen uitleggen, kun je niet verwachten dat een burger het begrijpt. Daar ligt voor de beroepsgroep een belangrijke opdracht.
Dan kies ik voor die full disclosure bij de tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken.
Wanneer een rechter heeft vastgesteld dat iemand moet betalen, moet er een duidelijke verplichting bestaan om inzicht te geven in de relevante financiële positie. Dat maakt de uitvoering effectiever, voorkomt onnodig zoeken en draagt bij aan een beter evenwicht tussen schuldeiser en schuldenaar.
De rechtsstaat eindigt niet bij het vonnis. Uiteindelijk moet het recht ook werkelijkheid kunnen worden.
De schijnwereld van sociale media en het nepnieuws dat daarin rondgaat.
Mensen leven steeds meer in afzonderlijke werkelijkheden. Daardoor kan heel snel het gevoel ontstaan dat hun onrecht wordt aangedaan, terwijl feiten en werkelijkheid veel minder eenduidig worden gedeeld.
Het doet me denken aan de grot van Plato. Mensen zien schaduwen en beschouwen die als de werkelijkheid. Sociale media dreigen een moderne versie van die grot te worden.
Als we niet meer gezamenlijk kunnen vaststellen wat werkelijkheid is en wat niet, heeft dat uiteindelijk ook gevolgen voor het vertrouwen in instituties, rechtspraak en de rechtsstaat. Ik denk dat die ontwikkeling de komende jaren een enorme invloed gaat hebben.